Er staat (c)opyright op de gedichten van Kageling, Martin U mag dit gedicht alleen gebruiken als u de auteursnaam en eventueel de website daarbij vermeldt.
Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

 


VLOED

 

Aldus verliep het leven van de anderen,

in hun wereld van onderneming en bedrijf.

De werkelijkheid stond voor hen buiten kijf.

Woorden dienden enkel om te onderhandelen.

 

Er was echter al verandering op handen.

Zonsopgang kleurde onheilspellend rood

en het maanlicht was meer als de dood,

toen er midden in het binnenland een

 

man begon te bouwen aan een boot,

 

om daarmee zijn gezin van een watersnood,

te redden, met alle dieren die hij paarsgewijs

aan boord riep bij hun namen van het paradijs.

 

Vanwege de onophoudelijke hamerslagen

meldden zich al spoedig de eerste klagers,

wat pas stopte toen de hemel zich ontsloot.

 

 

 

 

 

 

 

NOACH:     Het lijkt op vogeltrek, op nesteldrang,

een instinctief commando: ga nu bouwen.

Mijn erf vol pijnboomhout met pek en touwen.

De kiel alleen al meet 300 ellen lang.

 

De dag waarop de arbeid zou beginnen

en zeven volgende was het genadeloos heet,

maar als het laatste paar het dek betreedt,

verschijnt er water aan de kimmen.

 

's Nachts wieg ik in haar warme adem.

Rondom ons praten dieren in hun slaap.

Mest ruik ik en teer en alomtegenwoordig water.

 

In dit Eden speel ik een hernieuwde Adam

boven diepten niet te peilen meer in vadems.

Het water spiegelt van God en mens verlaten.

 

 

   TEKEN

 

Ik schiet een zon, ik peil en ik bereken,

laat een vogel los en wacht geduldig af.

Is dit een catastrofe of de godenstraf

waaraan de anderen nu zijn bezweken?

 

Wij hier aan boord verlangen naar een teken,

zoals een duif die ons een olijventakje gaf,

dan was het vasteland vast niet meer veraf.

Zo'n 150 dagen zijn onderhand verstreken.

 

Ik heb uren naar het uitspansel gekeken,

in het diepste zwart achter de sterrenbeelden

en door het peilloos blauw van overdag.

 

Boven de dieren uit hoor ik haar lach.

Ze zijn op het achterdek aan het spelen.

Wij zien de zon in zeven kleuren breken.

 

 

 

 

SPECTRUM

 

Het zand ruikt klam en slierten zilte wieren

blijven achter waar de vloed is afgedropen.

Hier is de kiel nu onverwrikbaar vastgelopen.

We hebben ons aan dek verzameld met de dieren.

 

Daarna gaan we aan wal om het te vieren.

Offerrook stijgt in het ijle ochtendlicht.

Zij staart omhoog, een glans op haar gezicht.

De wereld strekt zich uit in bergen en rivieren.

 

Als de dieren zich over het veld verspreiden

om weer te gaan grazen, jagen, paren met elkaar

alsof niets hun doen en laten heeft verstoord –,

 

blijven wij hier om te zien hoe leven gloort.

Ik zie, als ik mijn blik even losmaak van haar,

hoe zich het spectrum buigt over ons beiden.




(Uit: 'Vrij Bijbels')